Nieuwe Aanwijzing Jeugdstrafrecht per 1 oktober 2026: meer maatwerk en gewijzigde kaders
Per 1 oktober 2026 treedt de nieuwe Aanwijzing Jeugdstrafrecht (2026A002) van het Openbaar Ministerie in werking. De aanwijzing vervangt de regeling uit 2021 en brengt verschillende wijzigingen mee voor de afdoening van strafzaken tegen jeugdigen en jongvolwassenen.
Een opvallende verandering is de nadrukkelijkere focus op persoonsgericht werken. Bij de keuze voor een afdoening wordt niet alleen gekeken naar de ernst van het feit, maar ook naar onder meer de ontwikkeling van de jongere, het recidiverisico, criminogene en beschermende factoren en de gevolgen voor het slachtoffer. Het uitgangspunt blijft daarbij: licht waar het kan, zwaar waar het moet.
Ook herstel krijgt een explicietere plaats binnen de afdoening. Het OM moet in een vroeg stadium bezien of bijvoorbeeld schadevergoeding, een herstelgesprek of mediation aan de orde kan zijn.
Adolescentenstrafrecht verder uitgewerkt
Voor jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar zijn de uitgangspunten voor toepassing van het jeugdstrafrecht verder geconcretiseerd. Factoren als ontwikkeling richting volwassenheid, beïnvloedbaarheid, zelfredzaamheid en een eventuele (licht) verstandelijke beperking worden nadrukkelijk genoemd. Ook is voorzien in een mogelijkheid om onder voorwaarden een QuickScan ASR te gebruiken wanneer geen reclasseringsadvies beschikbaar is.
Voor 16- en 17-jarigen worden de criteria voor toepassing van het volwassenstrafrecht eveneens nader ingevuld. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de ernst van het delict en de vraag of een pedagogische aanpak nog voldoende meerwaarde heeft.
Terughoudendheid met vrijheidsbeneming
De nieuwe aanwijzing benadrukt daarnaast de terughoudendheid die bij voorlopige hechtenis van jeugdigen moet worden betracht. Wanneer minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn, moet worden bekeken of daarvan gebruik kan worden gemaakt.
Ook de voorwaarden rond een OM-strafbeschikking zijn concreter uitgewerkt. Zo wordt een jeugdige vooraf gehoord in een OM-hoorgesprek en geldt voor een taakstraf die via een strafbeschikking wordt opgelegd een maximum van 40 uur.
Strafmaten voortaan in afzonderlijke richtlijnen
Voor de rechtspraktijk is verder van belang dat de nieuwe aanwijzing niet meer hetzelfde brede karakter heeft als de regeling uit 2021. De concrete strafvorderingsrichtlijnen zijn van de aanwijzing losgekoppeld en ondergebracht in afzonderlijke richtlijnen. De inwerkingtreding van 2026A002 betekent daarom niet dat alle strafmaten per 1 oktober automatisch wijzigen.
De nieuwe aanwijzing geeft daarmee vooral een aangepast kader voor de wijze waarop het OM jeugdzaken beoordeelt en afdoet.
